Social Media

facebook button twitter button  

Tweets

Onkruidbestrijding

Om onkruid te bestrijden, wordt onder andere mechanische onkruidbestrijding gebruikt.
De gewassen staan in rijtjes geplant. Met machines worden de onkruiden die groeien weggebrand, weggeëgd en weggeschoffeld.

branderegschoffelen
Ook wordt onkruid handmatig weggehaald: wij gebruiken een wiedbed op zonne-energie, en verder wordt er gewied met de hak of met de hand.

wiedbedhakonkruid wieden hand

Ook in de gangbare akkerbouw wordt mechanische onkruidbestrijding toegepast, maar in de biologische akkerbouw zijn we meer afhankelijk van deze technieken. Er wordt vaker geschoffeld, en ook werken er meer medewerkers meer uren om al het onkruid te verwijderen.

Stimuleren van een natuurlijk evenwicht
In de natuur komen natuurlijke vijanden voor van veel van de ziektes, onkruiden en parasieten die de gewassen bedreigen. Doordat biologische akkerbouw de natuur niet aantast en biodiversiteit stimuleert, komen deze natuurlijke vijanden in grote getale voor op een biologisch bedrijf, en helpen ze bij het bestrijden van de plagen die de gewassen kunnen bedreigen. Een akkerrand speelt daarbij ook een belangrijke rol omdat het een plek biedt voor allerlei insecten die bijvoorbeeld luis bestrijden, zoals de sluipwesp en het lieveheersbeestje.

akkerrandsluipwesplovebug

Wisselteelt of gewasrotatie
Gewasrotatie is verplicht voor alle boeren, dus ook in de gangbare landbouw. Je kunt in het jaar daarna op dat stuk land waar aardappels hebben gestaan bijvoorbeeld gerst of tarwe telen. Deze zijn niet gevoelig voor de aardappelziektes en –parasieten en kunnen goed groeien. 

wisselteelt

De aardappelen worden pas na zes tot acht jaar weer op datzelfde perceel geteeld, wanneer het grootste deel van de ziektekiemen en aardappelparasieten eruit verdwenen is. Door te wisselen van teelt voorkom je dus dat een soort aaltje zich uit gaat breiden. Soms vermeerderen bepaalde aaltjes zich ook op een ander gewas, daarom moet je in je teeltplan goed kijken welk gewas je na een bepaald gewas op dat perceel zet.

Aaltjes
Als er een bepaald gewas op het perceel staat dan kunnen zich gemakkelijk bepaalde aaltjes ontwikkelen. Als je bijvoorbeeld aardappels teelt, kunnen er in dat jaar bepaalde aardappel-parasieten en -ziektekiemen toenemen, bijvoorbeeld het aardappelcysteraaltje. Aaltjes kunnen met hun mondstekel wortels aanprikken en sap opzuigen, waardoor de plant schade ondervindt. Als de aantasting sterk is, ontstaan misvormingen aan de wortels. Sommige aaltjes brengen virusziekten over. Aaltjes kun je beschouwen als ondergrondse luizen. Er zijn 20.000 soorten aaltjes in de bodem, vaak 5 tot 60 verschillende soorten in een perceel. Daaronder zijn er veel die het gewas op geen enkele manier beschadigen. In een normale grond zijn minimaal 8 miljard aaltjes per hectare aanwezig. Deze bewegen zich via het bodemwater en grazen o.a. op schimmels. De schimmels worden daardoor geprikkeld om zich te vernieuwen en verhogen hun activiteit. Dit heeft toename van de beschikbare voedingsstoffen voor de plant tot gevolg. Aaltjes werken op deze manier dus gunstig voor het gewas. Om onder alle temperatuur-omstandigheden profijt van aaltjes te kunnen hebben, moet er veel variatie in de soorten voorkomen. Zonder vruchtwisseling staat elke plant steeds op dezelfde plek. Hierdoor neemt het bijbehorende bodemleven in omvang toe (ook de bijbehorende aaltjes), dit kan zelfs uitgroeien tot een plaag. Dan worden plantenwortels aangetast, de voedingstoestand van de bodem en de opbrengsten nemen af. Dit verschijnsel heet bodemmoeheid (zie ook www.aaltjesschema.nl).